Dinsdag, 7 februari 2012 | RSS | Twitter

Een goed paard heeft altijd een mooie kleur

Vos x vos = vos

Paardenkleuren zijn eindeloos fascinerend. Tientallen variaties zijn er op de kleur van de vacht, en dan kunnen sommige daarvan ook nog eens per seizoen enorm verschillen. Dit is de eerste aflevering van een lange serie over kleur: over de uiterlijke verschijningsvormen, hoe een kleur ontstaat en uit welke ouderdieren een bepaalde kleur veulen geboren kan worden. We beginnen deze aflevering met een stukje theorie en met de genetisch eenvoudigste kleur: de vos.
Tekst: Edith Louw, foto’s: Jolanda Scheepen

Net zoals elke nieuw geborene, krijgt een veulen eigenschappen mee van beide ouders. Welke eigenschappen doorgegeven worden, is een kwestie van toeval. Zoals de meeste mensen nog wel uit de biologielessen op de middelbare school weten, worden alle eigenschappen van een levend wezen vastgelegd in de chromosomen, waarop de genen zich bevinden. Een gen is, simpel gezegd, een drager van een of meer eigenschappen.
Een aardig beeld waarmee dit makkelijker te begrijpen is, is om de chromosomen te zien als kralenkettingen, waarbij de genen de kralen zijn.

In elke cel van het lichaam zit een even aantal chromosomen: er zijn er steeds twee die bij elkaar horen, één gekregen van de vader en één van de moeder. Deze bepalen samen een bepaalde eigenschap, zoals bijvoorbeeld hoogte, bouw, karakter, maar ook haarkleur. Juist met kleur kun je heel goed zien hoe de vererving werkt.

De mens heeft 26 paar chromosomen, het paard heeft er 32. Alleen de geslachtscellen (eicel en zaadcel) zijn anders. Deze bevatten van elk paar maar één chromosoom. Pas wanneer de eicel en de zaadcel zich verenigen in het lichaam van de moeder, hebben ze samen weer het juiste aantal chromosomen, het begin van een nieuw uniek wezentje.

Sommige genen-paren vermengen als het ware hun eigenschappen. Zo kan een gen voor dunne beharing, zoals dat van de Amerikaanse Appaloosa, gekruist met het dikke behang van een Fries een matige beharing opleveren. Bij haarkleur is er meestal geen sprake van vermenging. Er is in bijna alle gevallen een dominant en een recessief gen voor een bepaalde kleur. Dat wil zeggen dat als het dominante gen aanwezig is, dat de opdracht geeft: ‘word zwart’, dit altijd voorrang krijgt op het gen ‘word niet zwart’. Een veulen met één zwart en één niet-zwart gen wordt dus altijd zwart. Maar dit veulen kan later wel het ‘niet-zwart’ gen doorgeven aan een nakomeling. In de volgende aflevering gaan we hier nader op in.

Vos is een prachtige, veel voorkomende kleur, die gemakkelijk te herkennen is: een bruine vachtkleur met manen en staart in dezelfde kleur of lichter, in elk geval niet zwart, want dan is het een bruine.
De vos vertegenwoordigt in het spectrum van uit recessieve genen. Dat wil zeggen: alleen als alle
andere kleurfactoren niet aanwezig zijn, wordt een paard vos. Kort gezegd heeft een vos geen genen voor zwart, schimmel, verdunning of meerkleurigheid (bont, appaloosa). Had hij dit wel, dan zou je het namelijk zien. Het enige gen dat niet zichtbaar is, maar wel aanwezig kan zijn bij een vos, is het gen voor bruin. Hier komen we bij de aflevering over bruine paarden op terug. Dit betekent dat als je twee vossen met elkaar kruist, er alleen maar een voskleurig veulentje uit kan komen.
Maar paarden van alle andere kleuren, kunnen wel een vosje voortbrengen – mits vader en moeder al die andere kleurfactoren niet doorgeven!
Saai? Allerminst! De voskleur komt in veel verschillende, prachtige schakeringen voor. De foto’s laten dat wel zien! Over het algemeen kun je zeggen dat de lichtere kleuren dominant zijn over de donkerdere vostinten.
Lichtere of donkerdere manen kunnen bij alle tinten voorkomen; vaak afhankelijkvan voeding, conditie en omgeving. De lichte manen en staart, zoals zo kenmerkend voor de Haflinger, worden veroorzaakt door een apart gen, ‘Flaxen’ genoemd. Dit soort paarden worden vaak ‘zweetvossen’ genoemd, maar deze term raakt langzamerhand verouderd. Heel donkere vossen noemen we ‘koffievos’.

Kleurverwarring kan optreden met sommige donkere ‘isabellen’, met donkerbruine paarden bij wie het zwart van manen en staart is opgelicht en met bonte vossen met heel weinig witte vlekken, zoals bij tuigpaarden nog wel eens voorkomt. Uit zo’n paard kan, bij verrassing, ineens een andere kleur tevoorschijn komen. Wanneer uit een kruising van twee vossen een andere kleur komt, weet je zeker dat tenminste één van de twee ouders geen echte vos is.

De belangrijkste begrippen op een rijtje:
chromosoom: drager van de genen; de ketting. Komt altijd voor in paren van twee.
gen, genen: drager van eigenschappen; de kralen.
geslachtscel: eicel, zaadcel. Bevat slechts het halve aantal chromosomen.
dominant gen: krijgt voorrang op recessief gen; is altijd zichtbaar.
recessief gen: niet-dominant, is niet zichtbaar in aanwezigheid van dominant gen.
kleurfactor: gen dat vachtkleur beïnvloed.
De kleurverervingstheorie gaat uiteraard veel verder dan in deze serie beschreven wordt. Wat we hier vertellen is een vereenvoudigde vorm. Wil je echt diep in deze materie duiken, lees dan De kleur van het paard van Jeanette Gower.

VrijRuiter, februari 2009
© Vrijruiter - Uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Vrijetijds Ruiters

afbeelding van Dorien66

2 februari 2009